Waarom lijden goed is

De collectieve sacralisering van lijden”. Na het debacle van afgelopen donderdag, waarbij ik stuiptrekkend en onderkoeld op de douchevloer lag na een uur fietsen in ijswater, denk ik aan deze woorden van Dirk de Wachter (wie kent hem niet). Hij zegt ook “het lijkt mij nuttig om erover [het lijden] na te denken voor we struikelen”.

Daarbij maakt volgens de onvolprezen Willem Voet een ervaring als hierboven beschreven mij mentaal sterker. Zelf weet ik wel dat ik bereid ben om te sterven vandaag. Het is dus een goede dag. Ik wil inzetten op een stevige verbetering van mijn persoonlijke besttijd op de halve marathon, waarmee ook een podiumplek binnen handbereik komt. Eigenlijk is dat de genuanceerde uitleg. Ik wil namelijk winnen. Deze wedstrijd is niet sterk bezet, vorig jaar wist ik hem immers ook al te winnen, en ik ben beter dan vorig jaar, blijkt uit alles. Evert en Iris vinden mijn inschatting (1:15-hoog) optimistisch, misschien zelfs onrealistisch, tegelijkertijd laten ze zich graag verrassen.

Mijn plan is, als altijd, om niet te hard van start te gaan en na een kilometer of 10 te versnellen. Vanaf de start loop ik echter op kop, hoewel een forse, lange man kortstondig voor mij loopt. Iris, die zo goed is geweest haar zondag aan mij op te offeren en mij van eten, drinken, positiviteit en informatie te voorzien, kent de beste man en vraagt hem naar zijn plannen. “In elk geval onder de 1:18”, antwoordt hij, dan al hijgend en proestend.

Ik loop voorop, in een groepje van vijf. Geen van de andere aanwezigen doet een poging om over te nemen, al komt de nummer twee van vorig jaar, Joram Hobo, af en toe even langszij. Ik had niet verwacht dat hij er nog bij zou zitten, want ik loop toch aardig door. Ook het hijgend hert der jacht ontkomen hangt er na een kilometer of 7 nog altijd aan. Twee anderen zijn dan al afgehaakt. Na een drankpost sla ik een klein gaatje, maar hij slaagt er in terug te komen. Zijn zware voetstappen en dito gerochel irriteren mij. Na negen kilometer is er een bocht en dan volgt een lang, recht stuk. Nog altijd loop ik voorop. Met de wind in de rug en de vlam in de pijp geef ik nog eens gas. Ik loop nu soepeler dan de eerste kilometers. Er ontstaat al snel een gaatje. Allengs wordt het gat groter, fluistert Iris mij in.

Na ongeveer 15 kilometer zie ik Stijn staan. Mijn gouden begeleidingsteam is compleet. Hij scandeert (waarschijnlijk racistische) leuzen, ik versta ze maar half. Ik ben superblij dat hij er is, dat Iris er is, en dat ze zo positief zijn. Dat laat ik ze weten. Ongelofelijk hoeveel ze voor mij over hebben. “De noodzaak van de medemens toont zich in het lijden, daarom is het misschien wel extra nodig in individualistische tijden.”

Nu nog het viaduct over, dat is het laatste zware gedeelte. De weg naar beneden gaat via enkele bochten, waardoor ik een goed zicht heb op de grootte van mijn voorsprong. Die is inmiddels opgelopen tot een meter of 250. No reason to panic, zou Mayke Nas zeggen. Ik weet nu dat ik niet meer harder hoef te lopen. Het tempo vasthouden is genoeg, en dat gaat vooralsnog zonder al te veel malheur. De laatste kilometers proberen Stijn en Iris mij nog wat op te jutten, maar ik vind het wel best. Ik ga eerste worden en mijn persoonlijke besttijd behoorlijk aanscherpen, naar een tijd waar ik mij bijna niet meer voor hoef te schamen (1:16;43). Er komt geen eindsprint. Er komt vreugde. Dit is waarom het goed is om te lijden, waarom het goed is dat er pijn is. Newton’s derde wet gaat over afzien.

Waarom ging de lamp uit, vraagt de Indische dichter Rabindranath Tagore zich af. De lamp ging uit omdat ik die met mijn mantel wilde beschermen tegen de storm. Daarom ging de lamp uit.”

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *