A tale of two brothers

Stijn is in bloedvorm, ik ben langzaam maar zeker ook weer fit aan het worden. Hoewel Rotterdam nog als een enorme deceptie voelde, krijg ik gedurende de week langzaam maar zeker meer zin, een beter lijf en meer vertrouwen. Zo fiets ik met lijfarts / huisvriend Willem naar Krimpen om het parcours te bekijken. Die rit doet me goed, al merk ik dat mijn fiets kraakt als een oude deur. Tijd dus om de onvolprezen mechaniekers van het Rijwielpaleis Bilthoven in te schakelen (pun intended). In een mum van tijd is mijn krakende, piepende fiets omgetoverd in een soepele, snelle brommer.

 

Een zwemtraining bij mijn immer goedlachse en deskundige trainer Evert maakt dat ik optimaal voorbereid aan de start sta. Niet alleen hebben Stijn en ik bedacht dat we hier 1 en 2 willen worden, ook heb ik de stiekeme hoop Miss Krimpen 1999 te mogen zoenen als ik podium pak.

 

Het plan is simpel. Torpedo-brommer-hazewind. Al voor de start komt een verrukte fotograaf naar mij toe. “Ik heet ook Visser!!” roept hij, alsof het een naam is die hij nooit eerder is tegengekomen. Hij fotografeert de naam op mijn pak als was het een heilig relikwie. De speaker van het evenement is hilarisch en de sfeer is ontspannen. Niet bij iedereen overigens, want Stijn heeft wel degelijk wat pre-wedstrijd-stress. Ik vind het zielig voor hem, maar hij hoeft mijn medelijden niet. Hij is een man met een missie.

 

De zwemstart is hectisch en het is vechten voor een goed plekje. Gelukkig is het water helder en lekker warm, waardoor ik vrij ontspannen kan aanhaken bij iemand in een blauw-geel Castelli-pak. Een paar keer heb ik de indruk dat hij mijn aanwezigheid niet op waarde weet te schatten en naar mijn hoofd probeert te schoppen, waarvan één keer zijn voet succesvol op mijn zwembril beland. Hierdoor bevat mijn rechter-brillenglas voor de rest van het zwemgedeelte water. Ik heb het idee dat ik allesbehalve vooraan zwem, maar stoor mij er niet aan. Bij het uit het water gaan lijk ik zo rond plek 15-20 te liggen. Ik zie Stijn een seconde of 30 voor mij, en roep hem succes toe. Hij gaat er vandoor op de fiets en ik volg hem op gepaste afstand.

 

Halverwege de eerste ronde komt een Jacob-Veenstra-lookalike mij voorbij stieren. Ik denk ‘Ha, hier kan ik mooi van profiteren” en sluit op reglementaire afstand aan. Bij het ingaan van de tweede ronde komen we, kop-over-kop rijdend, Stijn voorbij. Hij sluit ook aan en met z’n drieën vervolgen we onze weg. Stijn roept nog “laat hem het werk doen”, en dat vind ik een lekker plan.

 

Ik kan heel ontspannen volgen, de fietsbenen zijn uitstekend vandaag. Nergens hoef ik echt te boren, en rustig brommerend kom ik bij de wisselzone aan. Ik stap als 3e van ons illuster drietal van de fiets en zie slechts één andere fiets staan. Stijn en ik passeren ‘le barbe’ voor we het loopparcours op denderen. Marinda, die al tijdens het fietsen stond te supporteren, geeft aan dat we 1’50 achterstand op nummer één hebben. Stijn stelt voor om samen te werken, wat ik een fijn voorstel vind. Hij ritst op verzoek mijn pak open (aangezien de rits aan de achterkant zit) en we lopen verder. Helaas lukt het mij niet goed mijn ritme aan te passen, waardoor Stijn een meter of 5 achter mij loopt. “Als je gaat, verwacht ik wel dat je eerste wordt”, roept hij nog. “Waarom heeft hij nog lucht om zo te gillen?”, vraag ik mij af.

Bij het ingaan van de tweede ronde is de achterstand op de koploper tot ongeveer een minuut gereduceerd. Daarbij zijn twee van mijn favoriete teamgenoten, voornoemde lijfarts en onze hoofdsponsor, komen buurten. Gedurende de tweede ronde sluit Stijn weer aan. Samen maken we jacht op de man in het zwart-rood, die zienderogen dichterbij komt. Ik heb inmiddels flink last van mijn maag en merk dat Stijn fitter is. Hij haalt mij net na het begin van de derde ronde in en loopt bij me weg. Ik zie hem de kop overnemen en begin zelfmedelijden te krijgen. Ik zal hier toch niet van het podium vallen? Gelukkig haal ik de voormalig nummer één in, waardoor ik nu tweede in de wedstrijd ben.

 

Ik ploeg voort, zonder achterom te kijken. Voor mij loopt Stijn, man-of-the-hour, gracieus en soeverein. Sinds dit jaar is hij niet meer te breken. No way dat ik hem nog kan inhalen. Ik overweeg te stoppen, wil slapen, vrees de achtervolgers, maar wil niet opgeven. Het zijn donkere kilometers, die uren lijken te duren.

 

En, zoals altijd, zijn de uren voor de zon opkomt het donkerst. Langzaam zakt de misselijkheid, de benen doen wat benen moeten doen, de zinnen worden verzet van zelfmedelijden naar bloeddorst. Ik wil niet stoppen, ik wil niet ingehaald worden. Stapje voor stapje nader ik Stijn nu. Ik voel dat ik weer contact met hem heb. Bijna aan het einde van de derde ronde ben ik weer bij hem. Samen langs de finish, de speaker roept om dat we “zij aan zij, schouder aan schouder” lopen. Dat doen we al maanden, jaren. Altijd is hij er, betrouwbaar, kritisch, scherp. Wát een vriend.

 

Dit keer wil ik wel samen lopen. Alleen opnieuw slaag ik er niet in mijn tempo aan te passen. Mijn instinct neemt het over. Ik voel dat ik een kansje heb. Mooi is het niet, moreel misschien zelfs verwerpelijk, maar ik ruik de finish en ík wil daar als eerste zijn. Ik wil Stijn niet kapotmaken, maar ik kan ook niet inhouden. Ik merk dat ik de laatste twee kilometer zelfs wat versnel. Op een meter of 100 van de finish kijk ik achterom. Het gat is groot genoeg. Daar, de finish. Een oerkreet, en dan wordt alles vaag. Ik omhels Stijn nog en zie alleen nog maar een witte waas. Minutenlang sta ik voorovergebogen, te moe voor alles. Eindelijk mag ik rusten van mijzelf, hoef ik even niks. Even dan.

 

 

2 thoughts on “A tale of two brothers

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *