Van Egmond naar Castricum (and back again)

De halve Marathon van Egmond is een klassieker in hardloop-Nederland. Kilometers over het strand banjeren, alvorens via de duinen de weg terug te vinden naar het Noord-Hollandse Saint-Tropez. Een wedstrijd dus, waarbij de tijd niet zo relevant is. Volgens de trainer is dat geschikt voor mij, “want het is een echte vecht-wedstrijd’, en aangezien de trainer iemand is die wil dat ik wil, schrijf ik mij in.

De reis naar Egmond toe is buitengewoon aangenaam. Samen met Thijs ‘Maranatha’ Wieringa karren we naar Heiloo, alwaar we de pendelbus naar Egmond nemen. De voorbereidingstijd is inmiddels wat kort geworden voor mij (Thijs start 12 minuten later), dus in Egmond aangekomen kleed ik mij om, en ga warmlopen. Hoewel ik in de voorgaande weken nauwelijks heb gelopen, voelen de benen goed. Ook mentaal zit ik er wel fris bij. Kortom, dit kan een goede dag worden.

In het startvak dring ik mij naar voren, tot ik het startschot hoor. We zijn begonnen. Hordes dolle mensen sprinten, soms schreeuwend, naar voren. In de stampede herken ik een aantal gezichten. Niet gehinderd door enig tactisch inzicht in deze wedstrijd glimlach ik om de sprinters. Niet veel later blijkt dat degenen die het laatst lachen ook hier het beste af zijn; er hebben zich op het strand, waar de wind met kracht 6 ons tegemoet komt, drie grote groepen gevormd. In zo’n groep is het goed toeven, zo blijkt later, terwijl in de losse verzamelingen mensen daarachter iedereen voor zich strijdt.

En waar loopt deze tactische onbenul, met zijn langzaam wegkwijnende glimlach? Precies, een meter of 200 achter de derde groep, waar ik toch minstens in de tweede, of eigenlijk in de kopgroep, had moeten lopen. Dit begint goed. De wedstrijd is nog geen kilometer oud en ik vervloek mijzelf. Na een tijdje mijzelf als een schuwe pelgrim achter een stuk of 3 andere losse atomen te hebben verscholen, besluit ik er een race van te maken. Een vecht-wedstrijd desnoods.

In een bijna maximale inspanning loop ik weg bij het zevental briesende eenlingen, in een poging de Grote Oversteek te maken. Na ongeveer een kilometer sluit ik aan bij de derde groep. Daar, in de luwte, verwordt mijn lopen tot een rustig duurtempo. De wind geselt de kopmannen, die blijkbaar masochistischer zijn ingesteld dan ik. Ik kabbel lekker mee, vraag aan mijn buurman wanneer het strand begint, zeg dat het fijn is dat het niet waait, en schat de afstand naar de volgende groep in. Het perspectief van nóg een oversteek spreekt mij niet aan. Vlak voor de strandafgang wordt het wat tumultueuzer in de groep. Iemand stapt op mijn hak, en ik rol kortstondig door het zand. Gelukkig waai ik weer overeind en kan ik direct weer aansluiten. Degene die op mijn hak stapte viel ook, maar komt niet meer terug.

Vanaf de strandopgang explodeert de groep. Iedereen probeert nu op tempo te komen, op een naar beneden lopend pad dat bedekt is met gedroogd gras. Ik laat al snel de meesten van mijn groep achter me, en na een kilometer of twee en enkele, door mij, onvoorziene klimmetjes loop ik alleen. Dankzij mijn fenomenale parcoursverkenning vooraf heb ik geen idee wat er na elke volgende bocht komt. Steeds als ik verwacht dat ik nu over glad asfalt naar de finish mag hobbelen, doemt een klinkerstrook van ettelijke kilometers, een anderhalve kilometer onverhard, een smerig duin-klimmetje, of een ander onfris element op. Kortom, het is ouderwets zwoegen.

Pas in de laatste twee kilometer komt er iets van strijdlust terug. Niet ver voor mij heeft zich een groepje van een man of vijf gevormd. Ik word bij de beklimming van de beruchte Bloedweg gepasseerd door een zesde man. Ik haak aan, waarna hij bij het groepje aanhaakt. Wanneer we langs een Oud-Hollandse Gabbertent komen stapt een van de zes uit en begint te dansen. Het publiek geniet zichtbaar en hoorbaar. Als de ironie niet zo alert was, zou het gemakkelijk zijn dit ‘een mooi moment’ te noemen. De bordjes die aftellen tot aan de finish staan nu op 500 meter. Ik kijk naar de mannen voor mij en betwijfel of ik voor die paar onbeduidende plekjes ga sprinten. Terwijl ik dat nog aan het overwegen ben, zet broeder Ezel, in casu mijn lichaam, zich in gang. De beslissing is op een ander niveau blijkbaar al genomen. Met grote passen loop ik bij ze weg. Op 100 meter voor de finish kijk ik achterom. Schokschouderend, sommigen slingerend, wordt er gesprint. Mij halen ze niet meer in.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *